Begrotingsbeleid en Begrotingsproces – Factsheet

Begrotingsbeleid

Het kabinet maakt aan het begin van zijn regeerperiode afspraken over het begrotingsbeleid en de budgettaire spelregels.

Het kabinet streeft naar een begrotingsoverschot gedurende de gehele kabinetsperiode. Dit doen zij door zogenoemd trendmatig te begroten. Op deze manier versterkt de overheid de economische groei, besteedt belastinggeld doelmatig en blijft voorspelbaar.

De uitgangspunten van dit trendmatig begrotingsbeleid zijn wettelijk vastgelegd in de Wet Houdbare Overheidsfinanciën. Ook de Europese begrotingsafspraken zijn daarin verankerd, want die afspraken zijn de grenzen waarbinnen de budgetkeuzes van het kabinet moeten blijven.

Het trendmatig begrotingsbeleid kent drie basisprincipes.

Basisprincipes Trendmatig Begrotingsbeleid

Basisprincipe 1: Uitgaven
Het kabinet spreekt bij de start van de regeerperiode af hoeveel het ieder jaar maximaal mag uitgeven. Dat zijn de zogenoemde uitgavenplafonds die het kabinet niet mag overschrijden.

Basisprincipe 2: Inkomsten
Als het economisch goed gaat, ontvangt de overheid meer belasting dan van tevoren gedacht. Dat noemen we meevallers. Die meevallers gebruikt de overheid niet voor extra uitgaven, maar om de schuld af te lossen. Als het economisch minder gaat, vallen de belastinginkomsten juist tegen ten opzicht van wat het kabinet verwachtte. De tegenvallers compenseert de overheid dan ook niet door minder uit te geven maar door de schuld toe te laten nemen. Dit principe heet automatische stabilisatie.

Basisprincipe 3: Besluitvorming over de begroting
Slechts één keer per jaar besluit het kabinet over de begroting. Dit moment – in het voorjaar – heet het hoofdbesluitvormingsmoment. Door de keuzes tussen politieke wensen en de bijbehorende kosten op één vast moment te nemen, voorkomt het kabinet continue discussies over geld. Bovendien creëert dit ene moment genoeg tijd om na te denken hoe het belastinggeld zo verstandig mogelijk uitgegeven kan worden.

Budgettaire spelregels

De budgettaire spelregels van het kabinet bepalen hoe ministers moeten omgaan met onverwachte gebeurtenissen tijdens de kabinetsperiode.

Spelregel 1
Als uitgaven te hoog dreigen te worden moeten ministers op hun eigen terrein maatregelen nemen om dat te voorkomen. Met andere woorden, ministers moeten hun eigen broek ophouden.

Spelregel 2
Meevallers compenseren tegenvallers, maar meevallers mag een minister niet gebruiken voor nieuw beleid. Meevallers zijn namelijk vaak tijdelijk, en nieuw beleid gaat vaak om structurele keuzes.

Spelregel 3
De belastingen mogen niet plotseling stijgen. Bij zijn start bepaalt het kabinet hoe hoog de belastingen maximaal mogen zijn aan het einde van de regeerperiode. Tussentijdse, niet aangekondigde verhogingen moet het kabinet compenseren met bijvoorbeeld verlagingen op andere belastingtarieven.

De ‘Begrotingsregels 2018-2021’ bevatten een uitgebreidere beschrijving van het begrotingsbeleid.

Begrotingsproces

Bron: Factsheet Overheidsfinancien – Ministerie van Financiën

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *