Treasury, Financiering en Rente

Disclaimer:
Dit betreft UITSLUITEND een samenvatting. Op geen enkele manier kunnen hier rechten aan worden ontleend.

Treasury/Financiering

Treasury (“Schatkistbeheer”)

  • In de Wet Financiering Decentrale Overheden (FIDO) staat de treasuryfunctie centraal.
  • Sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.
  • Regels voor het beheer van de geldstromen (“schatkist”).

Treasury

  • Doelstellingen
    • Bedrijfseconomische doelstelling: gezonde financiering van de openbare lichamen.
    • Budgettaire doelstelling: maatregelen om de overschrijding van het EMU-saldo te voorkomen/beperken.
  • Praktijk
    • Zorgdragen voor het tijdig beschikbaar zijn van de middelen.
    • Minimaliseren van kosten en risico’s (Ice-Save).
    • Optimaliseren rendement.

Gemeente /Provincie is verplicht de volgende stukken te hebben:

  • Een paragraaf financiering in begroting en jaarverslag.
  • Een treasurystatuut:
    • Algemeen doelstellingen
    • Richtlijnen en limieten financieringsfunctie
    • Administratieve organisatie
    • Vergroten transparantie

Financiering (1)

  • Betreft de wijze waarop de geldstromen worden beheerst.
    • Behoefte/overschotten aan geld om de verschillen tussen inkomsten en uitgaven te regelen middels het aantrekken of uitzetten van gelden.
  • Gemeenten kennen in het algemeen geen object- of partiële financiering maar totaalfinanciering.
    • Totaalfinanciering = de aangetrokken leningen niet één op één gekoppeld zijn aan de investeringsprojecten of verstrekte leningen. We bundelen schulden en tegoeden. We salderen alle gemeentelijke kastekorten en -overschotten voordat we ons op de kapitaalmarkt begeven.
  • Object- of partiële financiering = voor elke kapitaaluitgave wordt apart de financiering geregeld.
  • Binnen grondexploitatie wordt/kan wel projectfinanciering worden toegepast en ook wel voor bepaalde investeringen.

Financieringsmiddelen

  • Externe financieringsmiddelen
    • Vaste/langlopende geldleningen (kapitaalmarkt) > 1 jaar
    • Vlottende/kortlopende of kasgeldleningen/daggeldleningen (geldmarkt)
  • Eigen financieringsmiddelen (kan) bestaan uit:
    • Eigen vermogen (reserves)
    • Vreemd vermogen (voorzieningen)
    • In gemeentekas gestorte langlopende waarborgsommen
    • Door derden bij de gemeente belegde middelen

Wet- en regelgeving

  • Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden
    • Doel is het voorkomen van risico’s en juiste wijze van aantrekken gelden
      • Aangaan en verstrekken van geldleningen en verlening garanties alleen voor het uitoefenen van de publieke taak (prudent beleggen).
      • Schatkistbankieren.
      • Kasgeldlimiet en renterisiconorm (zijn vastgelegd in de uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).

Daarnaast kennen we de:

  • Regeling schatkistbankieren decentrale overheden.
  • Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof).

Definitie kasgeldlimiet en renterisiconorm

  • De kasgeldlimiet en de renterisiconorm hebben allebei als doel de leningportefeuille van decentrale overheden te behoeden voor een onverantwoord grote gevoeligheid voor rentefluctuaties. Ze stellen dus een grens aan de structuur van de leningen, niet aan de hoogte.
  • De kasgeldlimiet richt zich hierbij op leningen met een rentetypische looptijd van maximaal een jaar (ook wel korte leningen, of kort geld genoemd).
  • De renterisiconorm betreft leningen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer (lange leningen, lang geld).

Kasgeldlimiet

  • De kasgeldlimiet stelt dat de gemiddelde netto-vlottende schuld van een decentrale overheid (ofwel openbaar lichaam) in een bepaald kwartaal niet hoger mag zijn dan een wettelijk bepaald percentage van het begrotingstotaal.
  • Begrotingstotaal = totale lasten op de begroting.
  • Kasgeldlimiet (daggeld)
    • Stelt een grens aan korte financiering waarmee renterisico’s kunnen worden beperkt.
    • Voor gemeenten 8,5% van het totaal van de jaarbegroting bij aanvang van het jaar (uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden), provincies 7% / waterschappen 23%.
    • Verantwoording per kwartaal (kasgeldlimiet + vermeerderingen – de verminderingen).
    • Toe te passen bij het aantrekken van geldleningen.
    • Kasgeld wordt ook wel daggeld genoemd (beide benamingen juist).

Renterisiconorm

  • De renterisiconorm is opgesteld met als doel de rentegevoeligheid van de portefeuille van leningen met een looptijd van een jaar of langer te beperken. Dit komt er op neer dat het renterisico in een bepaald jaar niet meer mag bedragen dan een wettelijk bepaald percentage van het begrotingstotaal.
  • Begrotingstotaal = totale lasten op de begroting.
  • Renterisiconorm
    • Stelt een grens om renterisico’s bij herfinanciering te beperken.
    • Voor gemeenten 20% van het totaal van de jaarbegroting bij aanvang van het jaar t.o.v. totaal jaarlijks verplichte aflossingen en rente herzieningen (uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden) provincies 20% / waterschappen 30%.
    • Toe te passen in de opstelling en beheer van het financieringsplan.

Regeling schatkistbankieren decentrale overheden

  • Doel is om door een lagere staatsschuld de totale EMU-schuld te verlagen.
  • Leidt tot vermindering van beleggingsrisico’s .
  • Elke dag worden overtollige middelen afgeroomd (overgeboekt) naar het Rijk.
  • Aparte bankrekening.
  • Rijk vergoedt rente.
  • Drempel afroming is (gewijzigd per 1-7-2021)
    • Gelijk aan 2% van het begrotingstotaal indien het begrotingstotaal lager is dan € 500 miljoen.
    • Bij een begrotingstotaal hoger dan € 500 miljoen is de drempel gelijk aan € 10 miljoen plus 0,2% van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. De drempel is nooit lager dan € 1 miljoen.
  • Gemeenten/provincies kunnen niet lenen bij de schatkist; wel bij elkaar (niet provincie aan gemeente in de eigen provincie) (niet bij een toezichtrelatie).

Financiering (2)

  • “Gulden” financieringsregel”
    • Reguliere lasten dekken uit reguliere baten; investeringen financieren uit langlopende financieringsmiddelen.
    • Investeringen mogen gefinancierd worden door leningen of eigen financieringsmiddelen.
    • Afschrijving zoveel mogelijk gelijk laten lopen met aflossing.
  • Geld- en kapitaalmarkt.
    • Verschillende rentetarieven
    • Golfbewegingen
    • Speculatie
  • Begrippen: geldlening, aflossing en restantschuld.

Financieringspositie en financieringsbehoefte

  • De financieringspositie wordt bepaald door verschil van:
    • het totaalbedrag van de boekwaarde van de investeringen (= financieringsbehoefte) en
    • het totaalbedrag van de financieringsmiddelen (de vlottende/kortlopende of kasgeldleningen/daggeldleningen (geldmarkt) worden niet meegenomen bij het bepalen van de financieringspositie)
  • De financieringspositie geeft een financieringsoverschot of een -tekort
    • de financieringsbehoefte = totaal van benodigde financiering (activa + voorraden)
    • het financieringsoverschot/tekort een overschot/tekort aan financiering
  • Gemeente/provincie moet inzicht geven in rentelasten, renteresultaat en financieringsbehoefte.
  • Berekenen van:
    • De financieringspositie en het bepalen van het financieringsoverschot/-tekort
    • Berekenen van de rente over het financieringstekort (rekening houdende met de kasgeldlimiet)

Begrippen financiering

  • Consolidatie van geldleningen
    • Omzetten van kort naar lang geld
  • Conversie van geldleningen
    • Vervangen van de lening i.v.m. rentedaling
  • Aflossing geldleningen en vormen van aflossing
  • Soorten geldleningen nominale waarde
  • Koerswaarde
    • Boven nominale waarde = agio
    • Onder nominale waarde = disagio

Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet HOF)

  • Doel
    • EMU-saldo op of onder 3% van he bruto binnenlands product (BBP)
    • (streven) Maximale schuld op 60% van het BBP -(schatkistbankieren)

Rente

Rente

  • De financieringsmiddelen kosten geld in de vorm van rente, en rente is de prijs voor het lenen van geld.
  • Geld lenen doen we door middel van:
    • Extern financiering (banken, etc.)
    • Intern financiering (eigen financieringsmiddelen zoals reserves en voorzieningen)
      • Rente over eigen financieringsmiddelen noemen we “bespaarde” rente.
  • Rente moet worden toegerekend aan de activa door middel van een omslagrente.
    • In het BBV is de wijze van renteberekening voorgeschreven.
    • Er zijn vijf verschillende soorten berekeningen voor deze “interne” rente.

Wet- en regelgeving

Notitie BBV Rente 2017

Doelstelling:

  • Bevorderen van een eenduidige handelwijze met betrekking tot rente.
  • Stimuleren dat gemeenten de (verwachte) werkelijke rentelasten opnemen in de begroting en de jaarstukken.
  • Het eenduidig inzichtelijk maken van de wijze waarop de gemeenten met rente zijn omgegaan.

Nota van toelichting wijzigingsbesluit BBV:
Rente die direct verband houdt met een taakveld betreft de (omslag)rente die moet worden toegerekend aan investeringen binnen dat taakveld.

Notitie commissie BBV rente 2017

Stellige uitspraak

  • Als er wel rentevergoeding over eigen vermogen wordt berekend, dan is deze vergoeding maximaal rentepercentage, gebaseerd op het gewogen samenstel van de externe rentelasten over lang en kort aangetrokken financieringsmiddelen.
  • Het toerekenen van rente aan taakvelden vindt plaats via het taakveld treasury.

Aanbeveling

  • Het renteschema in de paragraaf financiering van begroting en jaarstukken opnemen, hiermee wordt inzicht gegeven in rentelasten externe financiering, renteresultaat en wijze van toerekening.
  • Alhoewel in BBV mogelijkheid vooralsnog blijft bestaan om rentevergoeding (of een vergoeding voor inflatie) over eigen vermogen te berekenen en deze door te belasten aan taakvelden, adviseert de commissie vanwege het verlangde inzicht, de eenvoud en transparantie deze systematiek niet (meer) toe te passen.

Vijf soorten (interne) rente

  1. De omslagrente
    • De omslagrente wordt berekend door de aan de taakvelden toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd.
    • (Kosten externe rente/totale schuld lang/kort)*100 = omslagrente (let op: projectfinanciering hiervan uitsluiten)
    • Af te ronden tot 0,5%
      • Indien de werkelijke rentelaste (in Euro’s) die over een jaar aan taakvelden hadden moeten worden doorbelast afwijken van de rentelasten (in Euro’s) die op basis van de voorgecalculeerde renteomslag aan de taakvelden zijn toegerekend, dan kan de gemeente besluiten tot correctie. Correctie wordt verplicht gesteld indien deze afwijking groter is dan 25%.
  2. (Bespaarde) Rente over reserves en/of voorzieningen.
    • (Kosten externe rente/totale schuld lang/kort) * 100 = toe te rekenen rente.
    • Niet afronden.
      • (de bespaarde rente kan/mag aan reserve(s) worden toegevoegd en (deels) of als baten in de exploitatie worden verwerkt (in de praktijk wordt nog maar beperkt rente/inflatievergoeding aan reserves toegevoegd))
  3. Rente toe te rekenen aan grondexploitaties (indien geen projectfinanciering)
    • (kosten externe rente/totale schuld lang/kort) * de verhouding VV/Totaal Vermogen
    • Indien geen externe financiering geen rentetoerekening aan grondexploitaties.
  4. Rente toe te rekenen voorzieningen contante waarde (disconteringsvoet)
    • De disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties wordt voor alle gemeenten gelijk gesteld aan het maximale meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone. Nu is dit bepaald op 2%.
    • Aan andere voorzieningen (geen contante waarde) mag, tenzij het rijk dat eist, géén rente worden toegevoegd.
  5. Projectfinanciering
    • Werkelijke betaalde rente.

Berekeningen die je moet kunnen maken:

  1. De omslagrente
    • Waarbij in de berekening het totaal van de vaste activa en de aan de vaste activa toe te rekenen rente.
  2. De bespaarde rente
  3. Rente die toegerekend mag worden aan reserves

Omslagrente over boekwaarde activa

  • Voor de berekening van de omslagrente wordt de aan de taakvelden toe te rekenen rente gedeeld door de boekwaarde van de activa. De basis hiervoor is de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die bij de taakvelden horen.
  • De vaste activa bestaan uit de materiële, immateriële en financiële vaste activa. De omslagrente wordt berekend over al deze vaste activa, voor zover deze integraal zijn gefinancierd én met uitzondering van de aan derden verstrekte leningen (onderdeel van de FVA). De verstrekte leningen hebben hiermee geen verlagend effect op de rente die wordt omslagen.

Rentebaten en het renteschema

Negatieve rente op aangegane leningen

  • In deze tijd (2021) van lage rente komt het ook voor dat er negatieve rente wordt ontvangen (vooral bij kort aangetrokken vermogen).
  • Deze horen niet bij de rentebaten (b) maar bij de rentelasten (a) in het renteschema.

Welke rentebaten wel en welke niet
In de notitie rente is aangegeven dat bij de rentebaten alle van derden ontvangen rente moet worden meegenomen. Echter, indien het gaat om rentebaten over aangetrokken geldleningen dan vallen ze onder rentelasten (zie hierboven).
Alleen baten op het taakveld treasury niet-zijne rente, zijn uitgezonderd van de berekening van de renteomslag (dividendopbrengsten, winstuitkeringen en koers- en waardeverschillen).

Wanneer is er sprake van projectfinanciering

Wanneer is er onmiskenbaar sprake van projectfinanciering.

  • Indien een geldlening specifiek wordt aangetrokken voor een project.
    • Is aantoonbaar uit bijvoorbeeld college en raadsbesluit.
    • De lening qua looptijd (aflossing) is afgestemd op de activa waarvoor de geldlening specifiek wordt aangetrokken.
    • De hoogte van de lening (hoofdsom) in veel situaties een duidelijke indicatie dat de lening specifiek voor een project is afgesloten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *